DNA-afname bij veroordeelden en conservatoire DNA-afname

Op 1 februari 2005 is de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V) in werking getreden, dit betekent dat veroordeelden van bepaalde misdrijven verplicht zijn om hun DNA-profiel in de DNA-databank voor strafzaken te laten opnemen.

Het doel van deze wet is om veelplegers, die herhaaldelijk een misdrijf plegen, op te sporen en te veroordelen. De pakkans is door opname van het DNA‑profiel in de DNA-databank voor strafzaken hoger.

In deze wet staat dat afname van celmateriaal verplicht is bij veroordeling voor misdrijven die in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering staan. Dit zijn voornamelijk misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, dit zijn misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van 4 jaar of meer, maar ook een aantal misdrijven waarom een lagere maximale gevangenisstraf staat.

Na een veroordeling geeft het openbaar ministerie een bevel voor afname. De afname van celmateriaal wordt geregeld door de politie en het openbaar ministerie. In de meeste gevallen wordt wangslijm afgenomen, maar de afname van haarwortels of bloed (door middel van een vingerprik) is ook mogelijk.

Het DNA-profiel van veroordeelden wordt voor een bepaalde tijd opgeslagen in de DNA-databank voor strafzaken, de bewaartermijn is afhankelijk van het misdrijf waarvoor is veroordeeld. Kijk voor de bewaartermijnen op de pagina van de DNA-databank voor strafzaken of in het besluit DNA-onderzoek in strafzaken.

Bezwaar maken tegen afname is niet mogelijk, wel kan er bezwaar gemaakt worden tegen opname van het DNA-profiel in de DNA-databank voor strafzaken. Dit moet binnen 2 weken na de DNA-afname bij de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken.

Meer informatie over de procedures kan gevonden worden op de websites van het Openbaar Ministerie en de rijksoverheid.

Conservatoire DNA-afname

In februari 2014 werd oud-minister Els Borst levenloos in de garage bij haar woning aangetroffen. Ze bleek met messteken om het leven te zijn gebracht. Er kon op dat moment geen verdachte worden gevonden maar er werd wel DNA aangetroffen dat van de dader zou kunnen zijn. Dit DNA-profiel werd in de DNA-databank opgenomen. Een jaar later werd het DNA-profiel van een persoon die verdacht wordt van de moord op zijn zus in de DNA-databank opgenomen. Dit resulteerde in een match met het eerder opgenomen DNA‑profiel uit de zaak Els Borst. Bovendien bleek dat het DNA-profiel van deze man al ruim voor de moord op Els Borst in de DNA-databank opgenomen had moeten worden. Dit is aanleiding voor onderzoek naar de effectiviteit van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Het voorstel voor uitbreiding van deze wet naar conservatoire afname van DNA (DNA-C) komt voort uit dit onderzoek.